Praktische toepassingen

Print deze pagina Klik hier om deze pagina als tip door te sturen naar een vriend!

Stukadoorswerk breng je in één of twee lagen aan afhankelijk van de ondergrond, de gewenste afwerking, de gewenste (eind)sterkte en/of de benodigde laagdikte. De stootvastheid van de eindlaag wordt bepaald door de samenstelling van de mortel en de ondergrond.


Ondergronden en hechting

Ongeacht de mortelkeuze of toepassing is het altijd belangrijk dat de mortel goed hecht op de ondergrond. Zowel het zuigend vermogen als de oppervlaktestructuur van de ondergrond spelen daarbij een zeer belangrijke rol.

Om zuigende ondergronden geschikt te maken voor stucwerk, moet je deze dus op de juiste wijze voorbehandelen. Deze voorstrijk vermindert de zuiging en heft tevens verschillen op in zuigend vermogen van de ondergrond. Denk daarbij aan bijvoorbeeld verschillen tussen stenen en voegen.

Gladde ondergronden leiden tot slechte hechting als je deze niet goed voorbehandelt of als je de verkeerde producten toepast. Dit komt doordat de poriën (capillairen) fijner zijn waardoor de specie als het ware geen grip kan krijgen op de ondergrond. Breng dus ook hier eerst een hechtlaag aan.

Sterk pleisterwerk voor binnen en buiten

  • Voor een optimale hechting de ondergrond voorbehandelen met primer voor zuigende ondergronden
  • Zet eerst gegalvaniseerde of roestvaststalen stuc-stopprofielen met wat specie vast ter bescher- ming van de buitenhoeken en ter beëindiging van stucwerk op tegelplinten. Breng dan de specie aan op de wand en smeer dit uit tot een redelijk egaal oppervlak

  • Laat de kalkcementmortel voldoende aantrekken voordat je de muur afwerkt. Dit duurt bij een kalkcementmortel beduidend langer dan bij gips. In praktijk wordt de kalkcementspecie op dag 1 opgezet en vlakgezet met een rei. Op dag 2 wordt dan (‘s ochtends) de laag ‘gladgeraspt’ met een speciale rasp. Een dergelijk oppervlak is de perfecte ondergrond voor dun pleisterwerk of tegelwerk
  • Gebruik een aluminium rei om het geheel vlak te zetten

Tips: gebruik Beamix kalkcement gebonden stucmortels buiten en binnen in ruimtes met een hoge vochtconcentratie. Ook onder tegels in badkamers en keukens is dit aan te raden. De reden is eenvoudig: in tegenstelling tot cement blijft gips gevoelig voor vocht waardoor het na verloop van tijd ‘verzeept’.

Stucwerk en vochtregulatie

Bij de keuze voor een gipsmortel of kalkcementmortel is het belangrijk te kijken naar het benodigde vochtbestendige vermogen van de aan te brengen stuclaag. Voor ruimtes binnenshuis waar géén sterke vochtontwikkeling kan ontstaan, is een gipsgebonden mortel een prima oplossing. Echter, buitenshuis én in ruimtes binnenshuis met een hoge vochtconcentratie zoals in badkamers, keukens en vochtige garages of schuurtjes, is het raadzaam Beamix kalkcementgebonden stucmortel toe te passen. Ook als uitvlaklaag onder tegelwerk. De reden is simpel; in tegenstelling tot cement blíjft gips namelijk in verharde toestand gevoelig voor vocht waardoor het na verloop van tijd weer zal ‘verweken’ (verzepen)

Ondergronden en laagdiktes

De laagdikte van de aan te brengen stuclaag hangt af van de vlakheid van de ondergrond. Dus hoe vlakker de ondergrond, des te dunner de stuclaag in principe kan zijn. Beton en binnenwanden van cellenbeton of gipskartonplaten e.d. zijn meestal vlak genoeg waardoor één dunne afwerklaag kan volstaan mits de ondergrond een gelijkmatig zuigend karakter heeft. Let er bij gipskartonplaten wel op dat ze voldoende ‘stijf’ op het onderliggende regelwerk zijn aangebracht en dat de naden worden voorzien van wapeningsgaas. Raadpleeg hiervoor de montagevoorschriften van de gipskartonplatenleverancier.

Bij niet helemaal vlakke ondergronden zoals schoon-, vuil of uitgehakt metselwerk of bij niet nauwkeurig uitgevoerd lijmwerk, kan de laagdikte op sommige plaatsen dikker of juist dunner zijn. Als deze niveauverschillen beperkt blijven tot ± 20 mm, kan de wand in één keer uitgevlakt en afgewerkt worden. Als de laag dikker moet zijn, zul je in twee lagen moeten werken. De eerste laag na het afreien altijd horizontaal doorkammen met een lijmkam. Dit zogeheten berapen van de wanden kan met een gipsmortel of kalkcementmortel.

Geleideprofielen

Vroeger werkte de stukadoor met houten reien die bijvoorbeeld op hoeken werden aangebracht. Tegenwoordig zijn er veel soorten geleideprofielen voor o.a. uitwendige hoeken. Deze profielen zijn in diverse lengtes verkrijgbaar en dienen als geleiding voor het afreien en als bescherming. Beëindigingsprofielen ofwel stuc-stopprofielen worden toegepast langs schoonmetselwerk, rondom hardhouten en metalen kozijnen en ter beëindiging van stucwerk op alle niet te stuken bouwdelen. Indien je geleideprofielen gebruikt bij gipsmortels moeten deze gegalvaniseerd zijn.