Wij gebruiken cookies om er voor te zorgen dat u onze website optimaal kunt gebruiken. Bezoekt u onze website, dan gaat u akkoord met deze cookies.
Als u klikt om door te gaan op deze website, dan gaat u akkoord met het gebruik van cookies. Voor meer informatie.

Weber Saint-Gobain - Official website of the companyWeber Saint-Gobain - Official website of the company

Praktische toepassingen

Voor een optimaal resultaat is het natuurlijk belangrijk dat u de mortel op de juiste manier verwerkt. Hieronder treft u een aantal tips.

In de werkvoorbereidingsfase moet al bepaald worden welke verwerkingsmethodiek gevolgd moet worden. Dit zal resulteren in een beter eindproduct.

Beamix Betonmortels zijn homogeen voorgemengde droge mortels die alleen met schoon leidingwater conform NEN 5995 gemengd moeten worden. Onderstaande adviezen dienen als ondersteuning voor het gebruik van Beamix Betonmortels.

LET OP
De samenstelling van de betonmortel specie mag nooit gewijzigd worden door extra toevoegingen in welke vorm dan ook.
Naast dit verwerkingsadvies wordt het verwerken van betonspecie omschreven in de artikelen 9.4 tot en met 9.8 van NEN 6722 of artikelen 10.5 en 10.6 van NBN B15-001.

Voorbehandelen

Voorbehandelen ondergrond: leg bij het storten van vloeren en poeren onder de beton eerst een laag plastic folie. Maak bij reparatiewerkzaamheden de ondergrond geheel vrij van olie, vet en andere stoffen die nadelig zijn voor de hechting. Bevochtig bij reparatiewerkzaamheden de ondergrond goed voor met water of gebruik een hechtprimer.

Indien in het zicht blijvende betonoppervlakken door roestwater van de wapening kan worden vervuild, moet dit worden voorkomen door een regelmatige vertinning van de wapening met een water-cementmengsel. Voordat deze wapening wordt ingebetonneerd, moeten loszittende delen van de vertinlaag worden verwijderd.

Mengen

Waterhoeveelheid: zie betreffende productinformatieblad van de betonmortel die verwerkt gaat worden.

Mengen:meng, gebruikmakend van Weber Beamix equipement, overeenkomstig de handleiding behorende bij het desbetreffende mengsysteem

Mengen(machinaal): Meng de betonspecie in een betonmolen of dwangmenger. De keuze van de menger is afhankelijk van de soort betonmortel. Doe eerst het water en daarna de droge mortel in betonmolen of dwangmenger. Meng gedurende ca. 3 minuten totdat een homogene betonspecie ontstaat. 

Uitvoering

Het storten van betonspecie moet worden uitgevoerd door deskundig personeel. Hierbij kan worden gedacht aan personeel met een opleiding Basiscursus Betontechnologie van de betonvereniging of aan personeel die de cursus Betonvakman van de Bond van Fabrikanten van Betonwaren in Nederland (BFBN) hebben gevolgd.
De stijgsnelheid, de wijze van storten, stortcapaciteit enz., moeten in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de berekening van de bekisting.

De betonspecie moet zodanig worden verdicht, dat deze de gehele bekisting vult en de wapening geheel omringt, terwijl zich geen holten of grove luchtbellen in de verdichte betonspecie mogen bevinden. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van verdichtingmethoden die in overeenstemming zijn met de consistentie en de samenstelling van de betonspecie.

Betonspecie moet in het algemeen binnen een uur na het toevoegen van het aanmaakwater zijn verwerkt; bij het mechanisch in beweging houden van de betonspecie moet de verwerking in het algemeen binnen twee uur plaatsvinden.

Stortnaden mogen uitsluitend worden gemaakt op plaatsen waar deze op de werktekening zijn aangegeven. Bij onvoorziene onderbreking moet de plaats van een extra stortnaad in overleg met de constructeur worden bepaald.

Het gebruikte gereedschap kan m.b.v. water worden gereinigd. Verhard materiaal (mortel) kan alleen mechanisch worden verwijderd.

Bij de keuze van de maatregelen die moeten worden genomen bij het storten bij lage temperaturen en bij vorst, wordt uitgegaan van de weerfase-aanduiding (zie tabel) zoals deze wordt gebruikt bij de weerberichtgeving ten behoeve van de Bouwnijverheid, die in de wintermaanden wordt verstrekt door het KNMI in De Bilt.

Weerfase gemiddelde temperatuur van ’s ochtends 9 uur tot de volgende ochtend 9 uur Nacht
0 plus 4ºC of hoger op de meeste plaatsen: geen vorst of niet meer dan 1 graad vorst
1 plus 4ºC of hoger op vele plaatsen: meer dan 1 graad vorst
2 tussen 0ºC en plus 4ºC op de meeste plaatsen: niet meer dan 2 graden vorst
3 tussen 0ºC en plus 4ºC op vele plaatsen meer dan 2 graden vorst
4 beneden 0ºC op de meeste plaatsen: niet meer dan 5 graden vorst
5 beneden 0ºC op vele plaatsen 5 tot 10 graden vorst
6 beneden 0ºC op vele plaatsen meer dan 10 graden vorst

Maatregelen bij weerfase 0 en 1
Het nemen van maatregelen onder deze weerfasen wordt niet voorgeschreven.

Maatregelen bij weerfase 2
Doelmatig afdekken en isoleren van de verse betonoppervlakken, totdat de gemiddelde kubusdruksterkte  ten minste 5 N/mm2 bedraagt.
Indien deze weerfase gepaard gaat met veel wind, gelden de maatregelen voor weerfase 3.

Maatregelen bij weerfase 3
Doelmatig afdekken en isoleren van de verse betonoppervlakken, totdat de gemiddelde kubusdruksterkte  ten minste 5 N/mm2 bedraagt in combinatie met het toevoeren van warmte in de ruimten tussen het betonoppervlak, resp. de bekisting en de afdekking of bescherming of omhullen van het onderhanden zijnde betonwerk en het binnen deze omhulling handhaven van een temperatuur van ten minste 8 ˚C tot de gemiddelde kubusdruksterkte  5 N/mm2  bedraagt.

Maatregelen bij weerfase 4
Onder de omstandigheden van deze weerfase mag beton worden gestort onder voorwaarde dat de temperatuur van de betonspecie op het tijdstip van storten ten minste 10 ˚C bedraagt. Verder gelden de maatregelen van weerfase 3.

Maatregelen bij weerfase 5
Indien deze weerfase optreedt moeten er ten minste de maatregelen voor weerfase 4 worden genomen. Voor het handhaven van een temperatuur van ten minste 4 ˚C zal in het algemeen toevoeging van warmte noodzakelijk zijn.

Maatregelen bij weerfase 6
Bij deze weerfase mag geen beton worden verwerkt, tenzij de bereiding van de specie, het storten, het verwerken en nabehandelen van het beton, plaatshebben binnen omhulde ruimten, waarbinnen een temperatuur van ten minste 8 ˚C wordt gehandhaafd totdat de gemiddelde kubusdruksterkte  5 N/mm2  bedraagt.

Nabehandelen

Voor zover in het bestek geen andere eisen worden gesteld, moeten de oppervlakken van het beton worden beschermd tegen uitdroging en te snelle afkoeling, totdat het beton een druksterkte van 14 N/mm²2 heeft bereikt. Tevens moeten pasgestorte oppervlakken worden beschermd tegen uitspoeling.
Bij een buitentemperatuur beneden de 4ºC moet de vers gestorte beton worden beschermd, totdat de druksterkte ten minste 5 N/mm² bedraagt. Bij een druksterkte van 5 N/mm² wordt beton in het algemeen beschouwd als bestand tegen eenmaal voorkomende bevriezing. In dit verband vragen sparingen e.d. de aandacht; voorkomen moet worden, dat zich daarin water kan verzamelen dat door bevriezing het beton zou kunnen beschadigen.
Bij toepassing van heteluchtverwarming en stralingwarmte kunnen geconcentreerde hete en droge luchtstromingen optreden. In dit geval moeten maatregelen worden genomen tegen het plaatselijk uitdrogen van beton. Ook het plotseling afkoelen van het beton bij het beëindigen van de warmtetoevoer dient te worden voorkomen.

Overige informatie

De verharding mag worden versneld door verwarming van het gestorte beton. De temperatuur van de betonspecie mag slechts geleidelijk worden opgevoerd tot een gewenste eindtemperatuur, met dien verstande dat 2 uur na het storten en verdichten de temperatuur van de betonspecie nog niet hoger mag zijn dan 50ºC. De temperatuur van de betonspecie moet worden gemeten op punten gelegen op ten minste 50 mm vanaf het verwarmde oppervlak.
Indien de verwarming geschiedt op een andere wijze dan met behulp van stoom die in direct contact komt met de betonspecie, moeten maatregelen worden getroffen tegen uitdroging.
Na het beëindigen van de temperatuurbehandeling moet het beton geleidelijk en gelijkmatig afkoelen.
Door de constructeur moet worden aangegeven welke temperatuur de constructie of het constructieonderdeel maximaal mag bereiken en wat het afkoelingstempo ten hoogste mag zijn.
Tijdens de verharding mag de constructie niet worden belast, zoals door de opslag van materialen of door het daarover vervoeren van lasten, totdat de daartoe vereiste sterkte is bereikt.